U bent hier:

Missie, visie en uitdagingen

Onze MISSIE

Artemis streeft ernaar het gebruik en de toepassing van biologische oplossingen in de land- en tuinbouw te bevorderen, met als doel de overgang naar veerkrachtige en weerbare teelten te realiseren.

Onze VISIE

De economisch sterke Nederlandse land- en tuinbouw staat wereldwijd aan de top op het gebied van duurzaamheid en innovatie met respect voor mens en natuur.

De missie en visie zijn omgezet in 3 doelen

1: Kennis- & informatiebron voor nieuwe productontwikkeling en toepassingsmogelijkheden in weerbare teeltsystemen met perspectief voor telers

2: Inzet tot verruiming van wet- en regelgeving voor snellere beschikbaarheid van biocontrol en biostimulanten voor telers

3: Communicatie naar leden, politiek & maatschappij

Deze doelen moeten uiteindelijk tot het resultaat leiden dat in 2030 weerbare planten en teeltsystemen de standaard zijn in de land- en tuinbouw in Nederland, zodat landbouw en natuur meer met elkaar verbonden zijn.

Biologische buffering in de land- en tuinbouw

Voor weerbare gewassen en teeltsystemen is het concept van biologische buffering in de land- en tuinbouw essentieel. Biologische buffering is niets anders dan het creëren van een grote biodiversiteit van (micro)organismen en natuurlijke stoffen. Hierdoor worden de bodems gezonder en de gewassen weerbaarder: een weerbaar teeltsysteem. Waar Artemis naartoe wil in die ‘natuur-inclusieve’ landbouw is een mozaïek van weerbare teeltsystemen dat per regio, per grondsoort en zelfs per bouwplan verschillend is. Natuurlijke producten en microbiële middelen (natuurlijke gewasbeschermingsmiddelen en biostimulanten) leveren maatwerk bij het ondersteunen van die biologische buffering.

Alle niveaus van het systeem

Op alle niveaus van het teeltsysteem is biologische buffering essentieel om weerbaarheid te verkrijgen. En op ieder niveau zijn de biologische producten van de Artemis-leden van groot belang om de biologische buffering te realiseren of te ondersteunen.

  • De bodem wordt weerbaar door de biodiversiteit van (micro-)organismen en organische stof.
  • Zaden zijn vrij van inwendige ziekten, krijgen een coating van nuttige micro-organismen mee voor weerbaarheid tegen ziekten van buiten.
  • Planten zijn afkomstig van weerbare rassen, met de juiste biodiversiteit in het microbioom rond de wortel en het blad en binnenin, om weerbaarheid te ondersteunen.
  • Het gewas maakt optimaal gebruik van vruchtwisseling, plantverbanden zoals strokenteelt en optimale teeltomstandigheden, om de ondersteunende biodiversiteit tegen ziekten en plagen te behouden, of zelfs te vergroten.
  • Rondom de teelt ondersteunen natuurlijke landschapselementen de functionele biodiversiteit in de akker.

Lobby voor aangepaste wet- en regelgeving

Samen met de IBMA, de Europese brancheorganisatie, is Artemis aan het lobbyen voor een aangepaste regelgeving voor biologische middelen in Europa. De Europese toelatingsautoriteit eist van de producenten de garantie dat een ‘actieve stof’ veilig is voor mens en dier en de omgeving. Dat ondersteunt Artemis volledig.. De biologische middelen zijn afkomstig uit de natuur. Artemis gaat ervoor dat in de toekomst alleen biologische middelen op de markt komen die bij toevoeging aan het ecosysteem daar weer een onschadelijk onderdeel van worden Deze hebben dus geen schadelijke effecten op mens, dier en milieu. 

Ziekten en plagen minder kans

Door biologische buffering krijgen ziekten en plagen minder kans. Dat wil niet zeggen dat corrigeren tijdens de teelt niet langer meer nodig is. Wel is de noodzaak om te bestrijden veel minder. En als er al moet worden bestreden, gebeurt dat pleksgewijs, met inzet van laagrisicomiddelen (van biologische of eventueel chemische oorsprong) om de biologische buffer niet aan te tasten.

Om daadwerkelijk biologische buffering in de teeltsystemen te realiseren, is de ondersteuning door biologische producten – natuurlijke gewasbeschermingsmiddelen en biostimulanten - essentieel. Zover zijn we echter nog lang niet. In de bedekte teelt zijn de afgelopen decennia grote stappen gezet, met name in het gebruik van biologische bestrijders en bestuivers. Daarmee is de glastuinbouw in Nederland wereldwijd zelfs koploper. De akkerbouw heeft nog een lange weg te gaan richting de beoogde  natuur-inclusieve landbouw. Het percentage biologische middelen in de landbouw ligt maar op een paar procent in 2020. Landen zoals de Verenigde Staten en Brazilië zijn veel verder.

Wat het gebruik van biologische middelen in de gewasbescherming tegenhoudt is tweeledig:

Mind-set

Het is tijd voor een positieve verandering in de mindset van telers als het gaat om het gebruik van natuurlijke middelen. Consumenten vragen steeds meer om duurzaam geteelde voedingsproducten, en gelukkig staan telers over het algemeen positief tegenover het gebruik van deze middelen. Hoewel ze nog steeds op zoek zijn naar meer bewijs van de effectiviteit ervan, is er een groeiend besef van de waarde ervan. Artemis is vastbesloten om met behulp van pilots de levensvatbaarheid van weerbare teeltsystemen te demonstreren en de voordelen ervan te laten zien. Samen gaan we een positieve impact creëren en laten zien dat natuurlijke oplossingen een winnende keuze zijn!

Regelgeving schiet tekort

De huidige regelgeving voor biologische middelen schiet tekort in zijn effectiviteit. Hoewel middelen van natuurlijke oorsprong vallen onder de gewasbeschermingsverordening 1107/2009, is deze regelgeving oorspronkelijk ontworpen voor chemische middelen en biedt het geen geschikt kader voor biologische middelen, laat staan complexe consortia ervan. Hierdoor worden de toelatingsprocessen langdurig (ongeveer 5 jaar) en blijft het aanbod van producten beperkt. Vanaf 2022 zullen biostimulanten onder de nieuwe meststoffenverordening 2019/1009 vallen. Helaas vertoont deze wet al gebreken met betrekking tot micro-organismen, aangezien slechts vier taxonomische groepen zijn opgenomen, terwijl andere taxa van micro-organismen met biostimulerende eigenschappen worden gemist. Bovendien ontbreekt er momenteel regelgeving voor de optimalisering van het microbioom (het gehele bodemleven).

Telers overtuigen met praktijkonderzoek

Om telers te overtuigen van het effect van biologische middelen is met het ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit een uitvoeringsplan opgesteld. Onderdeel van dat plan is het opzetten van een aantal pilots. Op akkerbouwbedrijven worden op kleine schaal al proeven gedaan. De pilots worden de komende tijd uitgebreid naar andere sectoren. Naast kennis en producten zijn ook financiële middelen nodig: een stroppenpot om telers te kunnen compenseren voor eventueel gederfde inkomsten in de pilot.

Streven naar een eenvoudigere aanvraagprocedure

De producenten en distributeurs die verenigd zijn in Artemis onderschrijven volledig dat stoffen veilig moeten zijn. Artemis is echter van mening dat de "data-vereisten" voor biologische stoffen kunnen worden vereenvoudigd door gebruik te maken van de meest recente wetenschappelijke gegevens. Door alleen de relevante eisen te stellen met betrekking tot het werkingsmechanisme, kan de vooruitgang van biologische gewasbescherming aanzienlijk worden versneld. Hierdoor zou een aanvrager minder gegevens hoeven te verstrekken voor toelating, waardoor de registratietermijn van biologische middelen kan worden teruggebracht van 5 naar 3 jaar.

Uiteindelijk: één overkoepelende regeling

Artemis pleit voor de implementatie van één uniforme regelgeving voor micro-organismen, ongeacht of ze als biocontrol, biocide of biostimulant functioneren. Dit komt doordat de meeste micro-organismen een overlappende werking vertonen, waardoor de specifieke toepassing niet relevant is voor de regelgeving. De focus van de regelgeving zou uitsluitend moeten liggen op de risico's en veiligheid van de micro-organismestammen. Indien op basis van wetenschappelijk onderzoek vooraf kan worden vastgesteld dat ze een potentieel gevaar vormen voor mens, dier en milieu, dienen ze niet in aanmerking te komen voor goedkeuring. Indien er geen duidelijke risico's worden geïdentificeerd, zouden ze een voorlopige toelating moeten krijgen om de effectiviteit in combinatie met andere consortia in de praktijk te testen, terwijl gelijktijdig monitoring plaatsvindt om onverwachte nadelige effecten op het ecosysteem te identificeren. Pas na deze evaluatie zouden ze een definitieve toelating moeten krijgen.